Werkwoord

Werkwoorden herkennen

Het werkwoord is een woord dat in veel talen samen met het onderwerp en eventueel een (lijdend en meewerkend) voorwerp de basis vormt van een zin. Werkwoorden drukken een actie (doen, gooien), toestand (zijn, staan, drijven) of een gebeurtenis (sterven, glinsteren) uit.

Enkele voorbeelden: lopen, spelen, dansen, gooien, blijven, lijken, worden, schijnen, handelen, uitvoeren, gamen, kijken, luisteren, …

Enkele voorbeelden in een zin:

  • Hij wandelt naar school.
  • Hij heeft naar school gewandeld.
  • Hij had naar school kunnen wandelen.

Oefeningen

  • Hoeveel werkwoorden tellen deze zinnen?
  • Zijn deze woorden werkwoorden?

Start de oefeningen hier.

Scheidbare en onscheidbare werkwoorden

Als het werkwoord te verdelen is in aparte deeltjes die elk afzonderlijk ook als woord bestaan, dan noemen we zo een werkwoord een samengesteld werkwoord.

  • afwassen, want: af + wassen zijn twee bestaande woorden
  • voorkomen, want: voor + komen zijn twee apart bestaande woorden

Samengestelde werkwoorden kunnen scheidbaar of onscheidbaar zijn. Dat heeft gevolgen voor de vervoeging. Vergelijk:

  • De man wast de vuile borden af.
  • Hij heeft de vuile borden afgewassen.

Het werkwoord valt uiteen in twee delen, afwassen is dus een scheidbaar werkwoord.

  • Eet fruit en je voorkomt veel ziektes.
  • Door fruit te eten, heb ik al veel ziektes voorkomen.

Het werkwoord blijft in één woord staan, het is dus een onscheidbaar werkwoord.

Oefening

  • Scheidbare werkwoorden of niet?
  • Vul de werkwoorden in.

Start de oefeningen hier.

Zelfstandige werkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden

Zelfstandige werkwoorden kunnen als enig werkwoord in de zin voorkomen.

Voorbeeld:

  • Zij slaapt de hele dag.
  • Zij kijkt televisie.

Vergelijk nu met:

  • Ik word altijd zo moe van al dat werk.
  • Hij is een beetje ziek.
  • Hij blijft gelukkig op de eerste plaats.

Deze werkwoorden staan ook alleen in de zin, maar ze hebben geen betekenis op zich (worden, zijn, blijven). Werkwoorden als slapen en kijken hebben wel een betekenis. Worden, zijn en blijven hebben een aanvulling nodig, ze worden gekoppeld aan de rest van de zin om een betekenis te krijgen. We noemen ze dus koppelwerkwoorden.

  •  We hebben de hele dag gegamed.
  • Ze willen geen afscheid nemen.

Hebben en willen hebben ook geen betekenis op zich, zij krijgen hulp van een ander werkwoord om betekenis te krijgen. We noemen ze dus hulpwerkwoorden. ‘Hebben’ en ‘willen’ krijgen dus hulp van de zelfstandige werkwoorden ‘gamen’ en ”nemen’.

Iets moeilijker

Hij zal morgen worden geopereerd.

In deze zin heb je 2 hulpwerkwoorden (zullen en worden) die betekenis krijgen van het zelfstandig werkwoord “opereren”.

Hij is gisteren ziek geworden.

Hier wordt het werkwoord ‘zijn’ als hulpwerkwoord gebruikt. Het staat bij ‘worden’, dat zelf een koppelwerkwoord is, worden heeft op zich nog geen betekenis. Het krijgt betekenis via de rest van de zin.

Samenvattend

  • Zelfstandige werkwoorden kunnen alleen staan en hebben zelf een betekenis: spelen, wandelen, lopen, …
  • Koppelwerkwoorden krijgen hun betekenis via een ander zinsdeel.
  • Hulpwerkwoorden worden aangevuld met een of meerdere andere werkwoorden.

Oefening

Laat een boodschap achter...

Post Navigation